“Hoe gaat het?” De vraag die me vaak gesteld wordt. Altijd welkom die vraag. Het is fijn om te merken dat mensen met je begaan zijn en beseffen dat het niet altijd meezit. Toch is het wel eens moeilijk om die vraag te beantwoorden. Soms ben ik zo vervreemd van mijn eigen zijn, dat ik naar mijn naasten kijk om hier een oordeel over te geven. Afhankelijk van de situatie waarin de vraag me gesteld wordt geef ik hierop antwoord. Soms volstaat een kort nietszeggend antwoord. Een andere keer merk ik dat er echt oprechte belangstelling is en dat ik wat uitgebreider antwoord kan geven. Toch is het vaak moeilijk. Fysieke ongemakken en achteruitgang in lichamelijk functioneren wisselen sterk. Ook mijn gemoedstoestand is erg van invloed. Blije dagen, die zijn er gelukkig ook genoeg, en sombere dagen. Waar de ene dag een beperking kan voelen als een klein beetje vervelend is hetzelfde ongemak op een andere dag alsof er niets ergers bestaat.
“Staat het een beetje stil?” Nog zo’n vraag waar ik vaak geen antwoord op weet. Ook hierbij heb ik vaak de neiging om naar mijn omgeving te kijken. “Wat vinden jullie?”
Nou ja, maar goed ook dat ik dat niet weet. Als het snel achteruit zou gaan dan weet je het wel. Antwoorden zijn dus altijd subjectief, woorden zeggen niet alles. Een knipoog of een knuffel kan ook helpend zijn.
Tja, hoe gaat het met me. Nu we wat meer in het voorjaar zitten zou ik zeggen dat het iets beter gaat. In de winterperiode antwoordde ik nog: “Mwah” Laatst vroeg iemand: “Gaat het?”, toen zei ik: “Joa” Echt zo’n Achterhoekse joa waar je alle kanten mee op kan. Ach, klinkt al iets beter dan mwah. Nog even en ik zeg weer: “Goed hoor!”
Sommige dingen zijn over. Ik heb een hele tijd pijn gehad in mijn lies. Dat is nu meestal weer over. “Niet te vroeg juichen”, wordt er dan vaak gezegd. Vind ik niet. Alsof daardoor de kans dat het weer terugkomt groter is. Altijd juichen als iets beter gaat! Je weet maar nooit wanneer je weer ergens last van krijgt. Of klinkt dat weer te negatief?
We hebben vakantie geboekt, ook dit jaar een weekje in Nederland. Brabant is het dit keer geworden. Gewoon een huisje gehuurd, fietsen mee en hopen op goed weer. Een wat verdere bestemming of iets avontuurlijker ook dit jaar nog maar niet. Misschien dat we dat ooit nog wel eens doen, maar nu lijkt het nog gemakkelijker om dat niet op te zoeken.
Overigens loop ik nog steeds heel weinig. Ik kan me er nog niet toe zetten, om gewoon een klein blokje om te gaan. De rollator staat tot nu toe meestal ongebruikt in de gang. Ik loop natuurlijk wel, maar dan alleen de stukjes die moeten. Van hier naar daar. Van de deur naar auto of fiets. Van auto of fiets naar zwembad, sportschool. Een stukje in de winkelstraat, in verpleeghuis of verzorgingshuis, het ziekenhuis. Alleen functioneel dus, ergens naartoe.
Tijdens de fysio doen we nog steeds wel loopoefeningen. Dit blijft belangrijk. De aansturing van de loopbeweging is moeilijk voor me. Vooral het genoeg optillen van mijn linkerbeen. Als ik niet oplet sleep ik ermee, of maakt mijn been een zwaai naar buiten. Ook vergeet ik vaak dat ik gewrichten heb. Buigen en optillen en dan vooruit, hoe moeilijk kan het zijn?
Altijd blijven juichen is een mooi motto.